Evolutietheorie

Op deze site hopen wij u als lezer te informeren en te interesseren voor de evolutietheorie.
De evolutietheorie is een wetenschappelijke theorie die stelt dat in verloop van tijd diersoorten zijn ontstaan, veranderd en verdwenen. De meest bekende naam die bij dit onderwerp geassocieerd is natuurlijk Charles Darwin, maar ook de wetenschappers Watson en Crick, Cuvier, Buffon en Lamarck evenals het creationisme en intelligent design zijn evolutietheorie relevante termen. Termen en namen die u nu misschien nog niks zeggen (tenzij u natuurlijk Menneer van Well heet, dan weet u er alles van) maar we hopen dat met een bezoek aan deze site te veranderen. Onder de verschillende kopjes kunt u uitgebreidere informatie vinden over onze deelonderwerpen. Hier nu eerst een algemeen verhaal.
De evolutie theorie is, als eerder genoemd, de wetenschappelijke theorie om de evolutie te verklaren. Het beschrijft een proces waarin diersoorten door middel van genetische verschillen (ook wel vernoemd als ‘natuurlijke variatie’), voortplanting waarbij een groter aantal nakomelingen wordt geboren dan er overleven en een beperkte voedselvoorraad ontstaan, veranderen en uitsterven. Volgens de evolutie theorie is de mens afkomstig van de mensaap, die op zijn beurt weer afkomstig is van de mensaap. Ook stelt de evolutie theorie dat alle soorten uiteindelijk afkomstig zijn van één soort: een eencellig micro-organisme waaruit uiteindelijk alle nu gekende levensvormen zijn ontstaan. De evolutietheorie zegt niks, anders dan velen vaak denken, over het ontstaan van de aarde en het universum. De wetenschappelijke Big Bang theorie die vaak onder hetzelfde kopje wordt geplaatst als de evolutietheorie heeft in feite niks met de evolutietheorie te maken.
Over hoe de evolutie precies werkt zijn in de loop van tijd de ideeën sterk veranderd. Dit proces en de wetenschappers die daarbij horen worden besproken op de erfelijkheids pagina. Daar wordt ook uitgelegd welk gigantische effect de ontdekking van DNA had op deze theorie.
Want hoe werkt de evolutie dan precies? De evolutie gaat eigenlijk uit van drie belangrijke elementen.
-
Elk individu ontstaan door geslachtelijke voortplanting is identiek, maar heeft wel (zichtbare) eigenschappen van beidde zijn ouders. Dit is te verklaren met DNA. DNA is, zoals uitgebreider verteld op de erfelijkheids pagina, een genetische code die bestaat uit twee gespiraliseerde stringen (dubbele helix) en die de kern is van al je genetische eigenschappen. (denk aan oogkleur, haarkleur, lengte, maar ook ziektegevoeligheid en aanleg voor het hebben van gigantische spierbundels). Wanneer je ouders jou verwekken vormen de ene helft van je moeders DNA samen met de andere helft van je vaders DNA jou eigen DNA. Hierdoor ben je een compleet andere samenstelling, compleet uniek, en heb je toch de genetische eigenschappen van je ouders.
Maar ook bij ongeslachtelijke voortplanting komt individualisme voor. Namelijk, ook wanneer als het DNA van een organisme maar afkomstig is van één ouder hoeft het DNA van de nakomeling niet identiek te zijn aan dat van de ouder. Soms worden er namelijk door het organisme foutjes gemaakt bij het kopiëren van DNA. Dit noemen we mutaties. Dierdoor kan het zijn dat de nakomeling van een plant die ontstaan is uit ongeslachtelijke voortplanting toch andere genetische eigenschappen heeft dan de moederplant.
-
-
De ‘Survival of the fittest’. De dieren die de meest gunstige genetische eigenschappen hebben om te overleven in hun omgeving zullen hebben meer overlevings en dus voortplanting kansen dan dieren die ongunstige genetische eigenschappen hebben voor de omgeving waar ze in leven. Zo zal bijvoorbeeld voor een aap gelden dat wanneer hij in een omgeving leeft waar de grond de meest risico volle gebied is vanwege alle aap onvriendelijke rovers, en in de toppen van de bomen de voedzaamste vruchten hangen, een aap die een aanleg heeft voor spieren en evenwicht en dus beter kan klimmen dan de andere apen, meer overlevingskans en voortplantingskans zal hebben dan de andere in zijn soort.
Met deze drie elementen is evolutie gemakkelijk uit te leggen. Bijvoorbeeld, het veranderen van een diersoort is te verklaren door de verandering van zijn omgeving. Als voorbeeld nemen we het typische cliché: de ijsbeer. De ijsbeer was eerst een normale, bruine beer, maar door evolutie kennen wij hem nu als een vel wit diersoort. De bruine beer leefde eerst op een groen land, maar belandde toen in een wit sneeuw landschap. In dit witte sneeuwlandschap moest hij, competerend met alle andere hongerige beren, jagen op zeeleeuwtjes. De voedsel aanvoer, in dit geval de hoeveelheid zeehondjes, was erg laag in vergelijking tot het aantal jonggeboren beertjes. (punt 2) Een beer moest dus wel speciale eigenschappen hebben die handig zijn in het vangen van zeehondjes, anders zou hij niet overleven (punt 3). Hierom is het handig wanneer hij een schutkleur had, zodat de ijsbeertjes hem minder goed aan konden zien komen en minder snel op de vlucht zouden slaan. Gelukkig voor de beren bestaat er natuurlijke variatie (punt 1). Het beertje dat door middel van mutatie of door het ontvangen van de juiste gencombinatie van zijn ouders de beste schutkleur had, had ook de meeste kans op voedsel en meer kans te overleven. Door de verhoogde overlevingskans heeft dit beetje meerdere nakomelingen ter wereld kunnen brengen dan zijn verhongerde donkerbruine broertje. De nakomelingen van het lichte, schutkleurige beertje zullen allemaal een iets wat lichtere huid hebben dan de vorige generatie beertjes had. Ook hiervan zullen opnieuw de beertjes met de lichtste huid overleven en zich voort kunnen planten. Zo is uiteindelijk te vel witte ijsbeer ontstaan. Dit is het algemene principe van natuurlijke selectie die lijd tot evolutie: het veranderen, uitsterven en ontstaan van diersoorten.